Onderdeel van een Junkers gascalorimeter. Om de verbrandingswarmte, de hoeveelheid warmte die het gas bij verbranding ontwikkelt, te kunnen bepalen wordt de gascalorimeter toegepast. De meest gebruikte was die van professor Hugo Junkers (1859 – 1935) uit 1892. De meter bestond uit een cilinder op pootjes met een ingebouwde bunsenbrander. Via een gasmeter en een drukregelaar werd gas aangevoerd dat in de cilinder tot ontbranding kwam. De verbrandingsgassen werden door een systeem van pijpjes in een ringvormige waterruimte geleid. Bij het verlaten dienden die tot kamertemperatuur te zijn afgekoeld. Dat gebeurde met koelwater dat onder constante druk aan de bovenzijde werd aangevoerd. Op het deksel bevonden zich twee thermometers om de waarde van het binnen- en uittredende koelwater af te lezen. Vervolgens werd, om de bovenwaarde te kunnen berekenen, het verhitte water gedurende één omloop van de gasmeter uit de zwaaiarm opgevangen in het grote maatglas. De benedenwaarde werd bepaald door het condenswater in de kleine maatcilinder. Met deze gegevens kon de calorische waarde van het gas worden berekend.